Solo
Ik heb mijn sopraanstem gehouden tot mijn zestieneneenhalfde. Ik werkte
al op het postkantoor, en als ik telegrammen opnam zei iedereen 'juffrouw'
tegen mij. Collega's namen mij er om die reden ook wel tussen. Dan
belde een van hen 009 en de anderen deden allemaal of ze bezig waren,
zodat ik de telefoon op zou nemen. Een van de telegrammen die ik zo
doorkreeg vergeet ik nooit: zend zo spoedig mogelijk vijfentwintig
levende goudvissen in een mandje… en om me heen zat de hele rotzooi
te lachen. Dat was spelen met elkaar, geinig hoor.
Ik weet nog goed wanneer mijn stem brak. In maart 1940 waren in de
schouwburg de Hamburger Passionsspelen met het jongenskoor als ondersteuning
en ik had daar een hele kleine solo in. Na de derde en laatste avond
kwam degene die de Christus vertolkte, een fantastisch organist ook,
naar mij toe en zei op z'n Duits: 'Wij moesten samen eens 'Die heilige
Stadt' zingen. We waren vier regels ver, als het 'Jeruzalem' komt,
en opeens stokte mijn stem: alles was weg! Ik heb gejankt als een
klein kind, onvoorstelbaar. In één keer was het over en uit, en wat
er overbleef was een basstem. Wat vond ik dat erg. Aan de andere kant
was ik zielsgelukkig, want als ik nu een telegram opnam zeiden ze
'meneer' tegen me…
Een jongen met een doel
Onderling was het schitterend, we konden thuis goed met elkaar overweg.
Ik weet nog dat we een abonnement hadden van de Nederlandse zendermaatschap-pij,
de NOZEMA. Dan kreeg je een speaker thuis en kon je drie of vier zenders
krijgen. Dat was radiodistributie, destijds een onderdeel van de PTT.
Ik weet ook nog dat mijn vader een radio had gekocht met klossen erop
die je moest bewegen om een zender te vangen. De radio was het verzamelpunt
in huis. Op dinsdagavond mocht er geen visite komen, want dan kwam
de bonte dinsdagavondtrein. Dan zat iedereen thuis. En dan Han Hollander…
een voetbalwedstrijd kon zo slap als een vaatdoek zijn, bij Han Hollander
leefde die wedstrijd. Die kon me toch praten en kletsen. Theo Koomen
had hetzelfde, later. Die deed verslag voor de radio en dan keken
wij tegelijk televisie; dan kon je zien hoe hard die vent aan het
liegen was. Die lulde er gewoon naast, prachtig was dat.
In '42 moest de radio ingeleverd worden, die mocht je niet meer hebben.
Gelukkig heeft noch vader noch moeder het geweten, maar mijn broer
en ik hadden er wel een…
Ik had op mijn veertiende, vijftiende maar één doel: slagen voor de
mulo met zo hoog mogelijke cijfers en ik denk daarin geslaagd te zijn.
Ik ben altijd wel evenwichtig geweest, ook als puber. Ik heb de dingen
altijd wel bij naam genoemd, er geen geheim van gemaakt. Dat had mijn
vader ook. Hij zei niet gauw wat, maar als hij wat zei was het to
the point, raak. Een keer ben ik heel erg kwaad geworden op mijn leraar
algebra, meetkunde en natuurkunde. Hij had het altijd over 'dat schuurtje
van je vader', en daar bedoelde hij de drukkerij mee, daar keek je
vanuit de klas zo op uit. Hij had de rotgewoonte om met een potlood
in mijn rug te prikken en te zeggen: 'Doe je best hè, want je vader
zit voor je te werken in dat schuurtje daar.' Iedere keer weer. Op
een gegeven moment ben ik opgestaan en heb hem een schop onder z'n
kont gegeven. 'Dat heb je met je schuurtje!' zei ik. Dat is de enige
keer dat ik me kan herinneren dat ik godsgruwelijk kwaad was.
Geen broek meer aan de kont...
Heel lang heb ik er het zwijgen toe gedaan. Over het bovenstaande
sprak ik nooit met iemand, en ook over dat andere niet; over mijn
ervaringen in de oorlog wilde ik nooit wat kwijt. Niet om iets te
verbergen uit die periode, maar omdat ik vind: mijn visie en doen
en laten voegen niets toe aan hoe het was. Bovendien komt het allemaal
weer boven als ik erover praat...
Toch hebben de keuzes die ik toen gemaakt heb heel wat invloed gehad
op mijn verdere leven, daar ontkom je niet aan. Een van de pijnlijke
gevolgen van mijn ondergrondse werk was, dat mijn verkering uitging.
Het was al een paar jaar stevig aan met Tonnie toen ze het uitmaakte
om een reden, die me erg krenkte. Vanwege mijn escapades liep ik er
soms nogal sjofel bij; ik bleef wel eens achter het prikkeldraad hangen
of ik moest, om mezelf in veiligheid te brengen, een jas achterlaten;
een andere keer was de missie geslaagd, maar mijn fiets weg... Ik
kon Tonnie natuurlijk niet vertellen waarom mijn kleren ergens achtergebleven
of kapot gescheurd waren, alles gebeurde in het grootste geheim, dus
dat kon ze niet begrijpen. Volgens haar oudere zus kon het helemaal
niks worden tussen Tonnie en mij; iemand die bijna geen broek meer
aan de kont had was toch geen partij! Geprest door haar zus heeft
Tonnie het toen, zeer tot haar verdriet, uitgemaakt. Ik heb het maar
gewoon genomen; wat kon ik anders in die periode? Het was oorlog,
ik vond dat ik wat moest doen en ik kon er niet over praten. Wat ik
verschrikkelijk vond was de reden waarom ze me de bons gaf: hoe ik
er uitzag, de buitenkant. We hadden bijna drie jaar verkering gehad,
maar het was over en uit, en ik heb haar nadien nooit meer gesproken.
Als je één keer niet goed genoeg bent, dan ben je het de tweede keer
ook niet, vind ik. Mijn broer heeft haar nog eens ontmoet en toen
stond ze versteld dat ik het inmiddels tot postdirecteur had gebracht.
Ze verstarde toen ze het hoorde, alsof ze lamgeslagen was. Ook toen
ging het blijkbaar om de buitenkant. Als je iemand aan de hand daarvan
gaat wegen, om mee op te scheppen of zo, hoeft het voor mij niet.
Die uiterlijkheden hebben immers niks te betekenen. Je mag gewoon
erg blij zijn dat je zo'n baan krijgt. Dat je - hoe moet ik het zeggen
- waardig gekeurd wordt.
Pa, wat deed jij in de oorlog?
De rol die de oorlog gespeeld heeft komt nog een paar keer terug
in mijn leven. Toen ik Annie [zijn latere vrouw, RvR] een poos kende
zei ze: 'Ik vind je een aardige vent, Martin, maar je vloekt zoveel.'
Ik realiseerde me dat ik inderdaad nog een negatieve lading met
me meedroeg uit die periode. Annie wilde op een gegeven moment toch
wel weten wat ik in de oorlog gedaan had en ik heb haar toen gezegd:
'Ik praat er niet graag over, ik heb er zelfs een hekel aan om erover
te praten, maar als we wat meer vastigheid hebben kom ik er wel
mee over de brug. En je hoeft niet bang te zijn dat ik iets gedaan
heb wat niet deugt.' Na onze verloving heb ik mijn Annie verteld
waar ik mee bezig ben geweest en we hebben toen besloten dat het
tussen ons zou blijven. Ook mijn kinderen hebben nooit geweten wat
het was waarover ik niet wilde praten, en op een gegeven moment
kwam Ria [zijn oudste dochter, RvR]met een vraag. Ze had in mijn
privé-stukken gesnuffeld ter voorbereiding van het feit dat ik een
koninklijke onderscheiding zou krijgen, ik zou worden geridderd.
Ik was al vier keer eerder in aanmerking gekomen voor een lintje
vanwege mijn trouwe dienstjaren, maar ik was steeds veel te jong.
Het hoger personeel kreeg het bijna allemaal met zestig of vijfenzestig,
en dat haalde ik op geen stukken na, want ik was niet oud genoeg.
Nu was het dan toch zover, en bij haar gesnuffel was Ria de band
tegengekomen met de letters NBS. 'Hebt u bij de NSB gezeten?' vroeg
ze me, maar het ging dus om de armband van de Nederlandse Binnenlandse
Strijdkrachten. Ria drukte de burgemeester op het hart niet te praten
over mijn oorlogsactiviteiten, maar hij meende dat het niet ongenoemd
mocht blijven. 'We weten dat je ook actief bent geweest in ondergrondse
zaken,' vermeldde hij tijdens zijn toespraak. Voor mij had het echt
niet gehoeven, maar ik begreep wel dat hij graag aandacht gaf aan
wat anders dan enkel mijn sociale en culturele activiteiten.
De eed van een postman
Dat was altijd die binnenkant van mij. Niet dat ik iets heb verzwegen,
dat ik iemand kapotgeschoten heb of iets dergelijks; dat heb ik
gelukkig niet hoeven te doen, dat durf ik rustig te zeggen. Maar
ik heb wel iets gedaan wat ik tot nu toe als een groot geheim met
me meegedragen heb. Nu ik mijn levensverhaal vertel en alles nog
eens overzie heb ik besloten wel naar buiten te brengen waar ik
al die jaren niet over heb willen praten. De acties in het grensgebied
heb ik hiervoor al vermeld, het andere komt nu. Het gaat met name
om het volgende. Toen ik in Enschede bij de post werkte kwamen er
geregeld brieven binnen voor de Ortskommandant in Enschede - een
soort burgemeester die het voor het zeggen had in dat gebied. Er
waren brieven bij van mensen die stiekem een buurman of een kennis
aanbrachten; ze schreven dan dat die persoon in kwestie iets tegen
de Duitse wet had gedaan. Als zulke brieven hun bestemming bereikten
werden die mensen gearresteerd en naar het concentratiekamp afgevoerd,
of ze kwamen op zijn minst bij de SS in het verdachtenboek te staan.
Om dat te voorkomen haalde ik die brieven uit het vakje voor de
Ortskommandant en nam ze mee, naar huis. Dan weekte ik ze los, keek
wat erin stond en als er als er dan een aanbreng was noteerde ik
naam en adres en zorgde dat er via via een briefje bij die persoon
kwam met: 'Denk eraan, ze hebben je verraden, dus ze zullen je een
dezer dagen wel komen halen.' Er zat altijd wel twee of drie dagen
tussen eer de Ortskommandant zo'n brief dan alsnog kreeg, en hij
keek toch niet naar de datum, dus dan kon de desbetreffende persoon
in tussentijd maken dat hij wegkwam. Maar ja, wat mijn eed van geheimhouding
betreft ben ik dus een zware zondaar geweest. Ik heb als postman
brieven geopend, en heb dus het briefgeheim geschonden, ook al was
het met het vooropgezette doel om mensen te redden. Ik denk wel
dat dat laatste zwaarder weegt, maar het drukt nog altijd op mijn
geweten. Ik ben er heilig van overtuigd dat het goed geweest is,
heel goed, maar als goede katholiek ben ik x keer in overtreding
geweest, zonder meer. Of dat dan niet meer geldt als het voor de
goeie zaak is, ik weet het niet. Ik heb het overigens nooit gebiecht,
dat vond ik niet nodig, en ik ben er heel rustig over. Ik heb nooit
wroeging gehad dat ik het gedaan heb. Ik denk dat ik wel wroeging
zou hebben gehad als ik het gelaten had. Als dit na de oorlog bekend
was geworden bij de PTT zou ik er niet voor gestraft zijn, denk
ik, maar toch heb ik er mijn hele loopbaan bewust niet over willen
praten dat ik mijn ambtseed destijds geschonden heb. Overigens waren
er wel enkelen die het wisten, mensen die hetzelfde hadden gedaan,
maar daar ging het nooit over. Ik denk wel dat ik brutaler ben geworden
in de oorlog, en dat ik geleerd heb zelfstandig beslissingen te
nemen. Wat Nederlanderschap betreft heb ik niet teleurgesteld, denk
ik, maar al komen er honderd oorlogen, ik doe nooit meer mee. Mensen
hebben er totaal geen begrip van wat het behelst: dat er avonden
en nachten zijn dat je in je nest ligt en niet slapen kunt en dat
je hartje van rikketik gaat en dergelijke meer, en dat je overdag
gewoon weer je zondagse gezicht zet. Pas achteraf besefte ik wat
ik in mijn jeugdige drang om iets te doen allemaal geriskeerd heb.
|